Sommige lezers van de Bijbel hebben moeite met het verhaal van Jefta, daar waar hij zijn eigen dochter offerde aan de Bijbelse God. Het is allereerst goed om te begrijpen dat de Bijbelse Schrift niet uitsluitend voorschrijft, maar ook beschrijft. Zo kan er in de Bijbel worden beschreven dat het volk van Israël zondigde, terwijl dit uiteraard geen voorschrift of een bevel betreft. Ook in het geval van Jeftas belofte beschrijft de Bijbel een historische gebeurtenis.

In hoofdstuk 11 van het boek Richteren wordt beschreven hoe Jefta werd aangesteld als aanvoerder van Israël inzake de strijd tegen de Ammonieten. In vers 30 doet Jefta een gelofte aan God: “Als U de Ammonieten geheel in mijn hand zult geven, dan zal dat wat naar buiten komt en mij vanuit de deur van mijn huis tegemoetkomt, als ik in vrede terugkeer van de Ammonieten, voor de HEERE zijn, en ik zal het als brandoffer offeren.”

We merken allereerst op dat Jefta deze gelofte geheel op eigen initiatief doet. God weet echter dat een legitiem offer nooit kan bestaan uit het offeren van een mens, aangezien Hij dit meerdere malen een gruwel heeft genoemd (zie o.a. Leviticus 20:1-5 en Deuteronomium 12:31). Sterker nog, in het boek Jeremia geeft God maar liefst drie keer aan dat het offeren van mensen niet eens in Zijn gedachten opkomt (Jeremia 7:31; 19:5; 32:35). Ook in het geval van Jeftas gelofte zal God in geen geval goedkeurend hebben gestaan tegenover een mensenoffer.

En toch, wanneer Jefta na zijn overwinning thuiskomt en ziet dat zijn dochter als eerste uit zijn huis komt lopen, stort hij ter aarde omdat hij nu denkt haar te moeten offeren. Maar wie heeft hem dat verteld? Het is een conclusie op basis van zijn eigen gebrekkige logica en een misplaatste hang naar oprechtheid: Jefta gaf zijn woord aan God en wil dit nakomen in de meest letterlijke zin. Jefta vergeet echter dat hij die belofte wil nakomen op een manier die juist indruist tegen Gods woord, namelijk middels het offeren van een mens. Gehoorzaam zijn middels ongehoorzaamheid, hoe werkt dat? God heeft het offeren van een mens ten strengste verboden. Derhalve kan deze handeling onmogelijk de wil van God zijn geweest. We kennen allemaal het bekende voorbeeld van het toetsen wat jij denkt dat God op je hart heeft gelegd: wanneer je denkt dat God van je vraagt om te scheiden van je vrouw, weet je dat dit indruist tegen de Bijbel en dus niet van God kan komen.

Had God Jefta niet kunnen tegenhouden?

Er zijn allerlei manieren denkbaar waarop God Jefta had kunnen tegenhouden: God had ervoor kunnen zorgen dat er een geit of lam door de deur van Jeftas huis zou komen; God had tot Jefta kunnen spreken om te benadrukken dat Hij A. niet om een offer heeft gevraagd en B. in geen geval zit te wachten op een mensenoffer; God had zelfs kunnen zorgen dat Jefta de strijd tegen de Ammonieten zou verliezen, zodat de belofte op die manier met een sisser afloopt. Echter, dit zou betekenen dat God Zijn plannen ieder uur van de dag moet wijzigen om de dwaze handelingen van mensen te voorkomen. Maar het was Gods bedoeling dat Israël de Amonnieten zou verslaan. Bovendien wordt de verantwoordelijkheid die Jefta had, om geen dwaze geloftes uit te spreken én om God niet te verzoeken (Lukas 4:12) én om niet te handelen in tegenstrijd met Gods wetten, in zo’n geval afgewenteld op de Heere God. Nogmaals, God heeft Jefta niet gevraagd om een offer en als Hij dat zou hebben gedaan, kan dit onmogelijk een mensenoffer zijn geweest. Jefta was de enige bedenker, planner en regisseur van deze gelofte en de uitvoering.

Maar God plaatste de gelofte toch op Jeftas hart in vers 29?

In Richteren 11:29 lezen we dat de Geest van de Heere op Jefta kwam, waarna hij vertrok naar verschillende plaatsen. In het daaropvolgende vers doet Jefta zijn gelofte om een offer te maken van het eerste dat uit zijn huis komt wandelen. Hoewel deze gebeurtenissen tekstueel kort op elkaar volgen, is het helder dat er dagen, zo niet weken, tussen moeten hebben gezeten. Dit blijkt uit het feit dat Jefta, na het ontvangen van de Geest van de Heere, trok door Gilead en Manasse, door Mizpe in Gilead en vanuit daar pas optrok naar de Ammonieten. Er is derhalve geen enkele indicatie dat Jefta nog altijd door de Geest van God werd geleid toen hij zijn gelofte uitsprak.

Conclusie

Gelet op bovenstaande uiteenzetting is de kritiek, dat God het mensenoffer van Jefta toestond en mogelijk zelfs opdroeg, niet slechts onwaarschijnlijk maar zelfs een onmogelijke lezing van de Bijbel. Derhalve bestaat er ook hier geen tegenstrijdigheid tussen Gods ontevredenheid over mensoffers en overige Bijbelse gebeurtenissen.